“Kapitaal is als water: het vloeit naar vruchtbare plaatsen”

Dit is de ingekorte versie, lees het volledige artikel hier.

Jonge en snel groeiende ondernemingen hebben in ons land te weinig toegang tot risicokapitaal, zo wordt vaak gezegd. Klopt dat? Zo ja, hoe komt dat dan? Wat zijn de alternatieven? 360° vroeg het aan Renaat Berckmoes (Fortino Capital), Sophie Manigart (Vlerick Business School & Universiteit Gent), Pieter Timmermans (VBO) en Marc Moonens (BNP Paribas Fortis). “Voor 90% van de ondernemingen zal bankfinanciering de enige vorm van financiering blijven”.

Bedrijven in België raken moeilijk aan risicokapitaal, blijkt uit een studie van Febelfin waaraan u heeft meegewerkt, mijnheer Moonens. Waar schuilt het probleem?

Marc Moonens (MM): Er is wel geld voorhanden maar grote bedragen aantrekken ligt moeilijk. Vroeger waren banken - internationaal gezien - vaak goed voor 10 à 30% van het aangeleverde kapitaal. Zij zijn zich sinds de financiële crisis echter meer en meer gaan terugtrekken en maken nu slechts nog een paar procent uit van het totale kapitaal.

Veel risicokapitalisten zeggen dat er te weinig goede projecten zijn.

Sophie Manigart (SM): Er zijn veel mooie projecten, innovatie en sterke ideeën maar de goede ondernemersteams ontbreken dikwijls. Nog te vaak gaan ondernemers ervan uit dat ze het allemaal wel zelf kunnen. Ze zijn te weinig bereid om een goede CEO binnen te halen. Het is niet omdat je een goede technologische opportuniteit hebt gezien, dat je de beste CEO bent.

MM: Dat is ook een taak voor de venture capital fondsen (VC). Zij kunnen helpen door het management te adviseren en mee te professionaliseren.

Renaat Berckmoes (RB): Er wordt meer ondernomen dan vroeger. Er zijn meer projecten en start-ups dan pakweg vijf jaar geleden. Zowel hogescholen, universiteiten als de pers geven meer aandacht aan ondernemers. Het klimaat is dus zeker positief. Maar die nieuwe projecten blijken vaak vrij kapitaalsintensief te zijn, vergeleken met vroeger.

Over welke bedragen spreken we dan?

RB: België is klein en Vlaanderen nog kleiner. Als je over VC-fondsen spreekt - en dan heb ik het over bedrijven die al een productportfolio en een klantenbestand hebben - praat je over gemiddelde investeringen tussen een half miljoen en drie à vier miljoen EUR. Bij angel funding van echt prille ondernemingen, gaat het dan weer over kleinere bedragen rond 250.000 EUR. Als je naar de fondsen zelf gaat kijken, zit je tussen de 50 à 75 miljoen EUR. En dat zijn de groten.

Is dat te klein?

RB: Naar risicospreiding in je portefeuille is dat effectief te klein. De VC-business is een heel risicovolle business. Van tien projecten zullen er maximaal twee echt lukken, van vijf of zes zal je je geld terugkrijgen en de rest mag je afschrijven. Dat is een verschil met private equity, waar de afschrijvingspercentages veel lager liggen. Je gaat dus als VC zoveel mogelijk moeten spreiden en veel schietgebedjes opzeggen (lacht).

Pieter Timmermans (PT): Ik hoor ook vaak dat VC-fondsen zich vooral richten op “sexy” sectoren: life sciences, communicatie … Voor sommige deelsegmenten van de economie is het blijkbaar veel gemakkelijker om aan geld te geraken dan andere.

Bedrijven die echt willen doorgroeien op mondiaal vlak, kunnen we hier niet voldoende van  kapitaal voorzien?

RB: Op een stand alone basis is dat zo maar niet als groep. Belgen en Vlamingen zijn nogal pragmatisch van aard. We vinden elkaar dus wel. Meestal doen we financieringsrondes met meerdere partijen zodat je dat probleem van schaalgrootte kan oplossen.

SM: Als één van het beperkte aantal spelers in België echter - om welke reden dan ook - “nee” zegt, ben je als onderneming verbrand. Dat is een probleem.

In de VS zou ongeveer 80% van de investeringen marktfinanciering zijn en 20% bancaire financiering. In Europa is dat omgekeerd …

SM: Ik denk dat bancaire financiering voor 90% van de Belgische ondernemingen de enige financieringsbron zal blijven. Daar is niets mis mee. We zijn nu eenmaal een typisch KMO-land. Voor de 10% die niet bij de banken terecht kan, zijn een aantal interessante evoluties bezig sinds de crisis. De business angels en family offices hebben zich versterkt. Crowdfunding is ontstaan. Banken worden ook veel meer intermediairen die private plaatsingen doen bij hun klanten, wat vroeger bijna nooit gebeurde. Voor die 10% zijn er dus heel veel mogelijkheden bijgekomen maar zij moeten wel beter hun huiswerk maken. Vroeger stapte je naar je bankdirecteur en vroeg je geld. En als je geen geld kreeg, was het gedaan.

Banken krijgen vaak de kritiek dat de “kraan dicht” is.

MM: Banken zijn kredieten blijven geven. Door de concurrentie zelfs aan erg attractieve voorwaarden.

SM: In België is de kost van kapitaal héél laag. Dat is een probleem voor risicokapitaalverschaffers. Een banklening heb je voor pakweg 3%, een mezzaninefinanciering kost 8%, een injectie met risicokapitaal gaat naar 15 à 20% … De conclusie is eigenlijk dat bankkrediet te goedkoop is.

"Bancaire financiering zal voor 90% van de Belgische ondernemingen de enige financieringsbron blijven." - Sophie Manigart

RB: In mijn verleden bij multinationals financierden wij alles in België. Je kon gewoon nergens goedkoper krediet krijgen. De banken zijn nu strenger geworden maar dat is niet erg. Ondernemers moeten namelijk ook gecoacht worden. Het is niet omdat de ondernemer overtuigd is van zijn project dat dat ook een goed project is. We hebben in België geen traditie van incubators. Goede begeleiding blijft dus een probleem.

PT: Een onderneming starten begint met een goed idee maar daarna kom je in de fase dat je moet professionaliseren of “defamilialiseren”. Dat is overal zo en dat is altijd zo geweest. Iedereen spreekt over Silicon Valley maar niemand heeft het over de mislukkingen in Silicon Valley. Die zijn er minstens evenveel als succesverhalen. Het enige verschil is dat je ginder geen stempel krijgt opgeplakt.

Moet je absoluut Belgisch verankerd durfkapitaal hebben om bedrijven hier te houden?

SM: Een van mijn doctoraatsstudenten heeft daar onderzoek naar gedaan. Daaruit bleek dat als je enkel met lokale financiers werkt, je een beetje gaat groeien. Als je enkel internationale financiers hebt, heb je een lange en moeilijke aanloopperiode. Het beste is een combinatie van lokaal en internationaal. Lokaal, want dan heb je mensen die je kunnen coachen en helpen. Internationaal want dan heb je meteen een internationale visie mee.

Hoe houd je de hoofdzetel dan hier?

MM: Het is geen kwestie van kapitaal maar wel van wat de beste omgeving is voor je bedrijf. We kunnen vaak alleen maar vaststellen dat dat niet altijd België is. Men trekt naar andere oorden waar het juridisch kader beter, soepeler en eenvoudiger is, onder meer ook wat betreft arbeidsrecht.

PT: GSK en andere, waarom zijn die hier? Omdat we een kader gecreëerd hebben waarbij onderzoek in die sector in ons land rendeert. Kapitaal is zoals water: het loopt naar plaatsen waar het vruchtbaar is. Als je verankering wilt, moet je een aantal voordelen creëren: taks shelter , de notionele intrestaftrek, een aangepast statuut voor R&D-mensen … Als klein land moet je focussen want je kan niet op alles wedden.

Welke rol moet de overheid spelen?

RB: Ik zit in de raad van bestuur van de federale Participatiemaatschappij, dus ik zit aan beide kanten van de tafel (lacht). Gezien de fragmentatie van kapitaal in België, is de rol van de overheid als risicokapitaalverschaffer niet te onderschatten. Je hebt PMV, Bruxinvest, GIMV, LRM …

PT: Is het niet te versnipperd? Ik heb de indruk dat het een tijdje mode is geweest om “iets te doen” omdat het trendy was. Het is een wirwar van ideeën, fondsen, hulpmiddelen … Het zou volgens mij wat stroomlijning kunnen gebruiken.

Is risicokapitaal genoeg fiscaal gestimuleerd?

SM: Ik denk dat fiscaliteit niet de beste push is maar wel een soepel regelgevend kader. Dat is belangrijker dan nog maar eens een fiscale maatregel. Hoewel de taks shelter zijn belang heeft, focust die op de pure starters en te weinig op de doorgroeiers.

PT: Klopt, alles draait de laatste jaren rond starters. Als je een app kan maken, krijg je steun. Maar wat met de doorgroeiers? Dat kan je niet fiscaal oplossen.

Hoe kijken jullie aan tegen crowdfunding?

SM: Je hebt verschillende types. De donation based types vind ik fantastisch om een sporter een stage te laten doen of een artiest de kans te geven een performance op te zetten. Debt financing hebben we dan weer bijna niet in België, in tegenstelling tot in Nederland waar de bakker om de hoek een obligatielening van 20.000 EUR kan plaatsen, waarschijnlijk bij zijn klanten in de straat.

"Het is niet omdat de ondernemer overtuigd is van zijn project dat dat ook een goed project is." - Renaat Berckmoes

Is dat een goed idee, vanuit het oogpunt van consumentenbescherming?

SM: Dat zijn kleine bedragen, uiteraard. 50 EUR voor mijn bakker… waarom niet? Ik heb een groter probleem met equity crowdfunding. Je investeert mee in een anoniem project, waarvan je in het beste geval een videootje ziet. En dan zit je plots in het eigen vermogen van een onderneming waar je totaal geen voeling mee hebt.

RB: Je krijgt een heel versnipperd aandeelhouderschap. En als je doorgroeifinanciering wil, is dat een probleem. Want ik ga nooit in een bedrijf stappen waar al dertig of vijftig aandeelhouders zijn.

Als u één wild card hebt, welke maatregel zou u dan nemen om de risicokapitaalmarkt beter te matchen met de ondernemers?

PT: Bedrijven de mogelijkheid geven om aandelen met meervoudig of dubbel stemrecht uit te geven. Het is simpel en kost niets. Toch is het nog altijd geen feit.

SM: Een beter werkend juridisch systeem. Meer rechtszekerheid voor alle partijen, ook voor financiers. Zij zijn meer bereid te investeren bij rechtszekerheid.

RB: Een geïntegreerd industrieel en economisch beleid van de Belgische overheid. Met een duidelijke focus waarbij men ook zorgt dat infrastructuur en geld voorhanden is.

MM: Ik zou graag de verschillende initiatieven willen bundelen. Men moet een overzichtelijk “loket” maken zodat de ondernemer deze veel makkelijker kan consulteren. Ondernemen is veel meer dan gepaste financiering zoeken.